Wijsheid en mededogen zijn niet gescheiden

Teisho van Marc ChiGen Estéban, La Gendronnière, augustus 2020

Tijdens deze teisho ga ik jullie spreken over wijsheid en mededogen en u vooral trachten te tonen, aan de hand van enkele voorbeelden uit traditionele teksten, dat de ene niet zonder de andere gaat, en dit vanaf het eerste onderricht van Shakyamuni Boeddha. Ik heb dus enkele punten uit deze teksten genomen die deze relatie aantonen en soms ook het risico dat zou kunnen bestaan om meer aandacht te schenken aan het ene en het andere wat te verwaarlozen.

Ik hoop vooral dat deze conferentie u zal aansporen om zelf deze teksten te bestuderen en dat ze u zullen aanmoedigen in uw dagelijkse beoefening van zazen, die de bron is van deze onderrichtingen.

Het enigma van de Hannya Shingyo

Ik zou u eerst willen spreken over een ‘enigma’ dat u misschien ook opgemerkt heeft.

Wij kennen allemaal de Hannya Shingyo, de soetra van het hart van de Grote Wijsheid, die we ’s morgens in de dojo zingen. Wat is de Grote Wijsheid? De Grote Wijsheid van de Boeddha’s, is de ultieme realiteit zien zoals ze is, ultieme realiteit die wij ook zijn.

Deze ultieme realiteit van de dingen is in werkelijkheid leegte. Leegte, niet in de betekenis van niets, maar in de betekenis van de onbestendigheid van alle dingen, de onbestendigheid van de fenomenen en meer in het algemeen de vijf skanda’s die ons samenstellen. De essentie van de Hannya Shingyo is de leegte.

De Hannya Shingyo is, bij het zonder afstand lezen ervan, in zekere zin een provocerende soetra omdat er in onderwezen wordt dat er geen zintuigen zijn, geen zintuiglijke organen, en de Vier Edele Waarheden die het eerste boeddhistische onderricht zijn, worden als onbestaand verklaard, enz.

Het lijkt op een negatie van alles, maar geen negatie van de betekenis van het niets, maar een negatie in de betekenis dat de dingen geen eigen bestaan hebben, ze bestaan niet op een permanente manier. Alle fenomenen zijn geconditioneerd en onbestendig en verschijnen en verdwijnen volgens de combinatie van de omstandigheden.

De Grote Wijsheid van de Boeddha’s is het begrijpen van dit punt. Een begrijpen met de intellectuele geest, jazeker, maar vooral ook het begrijpen met lichaam en geest in eenheid, dat ontluikt door de beoefening van zazen. Men noemt dit soms de actualisatie van deze realiteit van onbestendigheid.

U weet anderzijds dat in het boeddhisme en meer bepaald in het Grote Vehikel, die de stroming is waartoe zen behoort, er de volledig volmaakte Boeddha is, die alwetend is en alle kwaliteiten heeft, en de boddhisattva’s, die de ‘incarnatie’ zijn, en ook de symboliek, van bepaalde kwaliteiten van een volmaakte Boeddha.

2516 kannonBij deze bodhisattva’s zijn de twee meest bekende, om zo te zeggen, Kannon (of Avalokiteshvara), de bodhisattva van het mededogen, en Manjushri, de bodhisattva van de wijsheid.

Manjushri wordt steeds voorgesteld met een zwaard in de hand, en dit zwaard is in feite de wijsheid die onze illusies doorsnijdt. Anders gezegd, het is het begrijpen van de leegte, van de ultieme natuur van elk ding die ons verhindert om in de illusies te vergaan.

Kannon daarentegen heeft veel verschillende voorstellingen. Soms voorgesteld met een hand achter het oor, zoals iemand die aandachtig luistert, wat de capaciteit van wezens symboliseert om met mededogen het lijden van de wezens te horen. Soms wordt hij voorgesteld met veel armen, wat de capaciteit symboliseert om talrijke juiste manieren te gebruiken die aangepast zijn aan de verschillende personen. Soms nog wordt hij voorgesteld met een fles zalf in de hand, die hij op het hoofd van de lijdende wezens uitgiet om hun wonden te helen en hen te helpen.

Elk van deze bodhisattva’s stelt dus in feite één van de hogere kwaliteiten van de Boeddha voor.

Nu kom ik terug naar de Hannya Shingyo. De Hannya Shingyo is een onderricht in de Grote Wijsheid van de Boeddha’s. Het zou logisch zijn dat het onderricht over de wijsheid door de bodhisattva van de wijsheid, door de ‘specialist’ als het ware in dit domein. We zouden dus kunnen verwachten dat get Manjushri is die de wezens onderricht, die ons dus onderwijst wat de wijsheid van de Boeddha’s is.

Maar het onderricht van de Hannya Shingyo wordt niet door Manjushri gegeven maar door Kannon, de bodhisattva van het mededogen!  Het is dus de bodhisattva van het mededogen die ons over de ultieme wijsheid onderricht.

Dit punt heeft me, met mijn eerder rationele en logische geest, in het begin van mijn beoefening vaak geïnterpelleerd. Dit is wat ik in het begin van deze teisho het ‘enigma van de Hannya Shingyo’ genoemd heb.

De beoefening van de bodhisattva’s in de soetra van Vimalakirti

Om deze bedenkingen verder te zetten ga ik u nu spreken over Vimalakirti.

In de soetra van Vimalakirti (de ‘soetra van de onvoorstelbare vrijheid’) komen, in het hoofdstuk over de beoefening van de bodhisattva’s, bodhisattva’s uit een andere wereld de Boeddha Shakyamuni bezoeken. Ter toelichting van de context : deze bodhisattva’s van een andere wereld, die de wereld der geuren genoemd wordt, hebben van onze wereld horen spreken en van de Boeddha Shakyamuni. Onze wereld wordt genoemd ‘de wereld van de taaiheid’, omdat de wezens die er wonen wezens zijn die stompzinnig, bekrompen en vaak in de illusie leven en moeilijk te overtuigen zijn. Dat zijn waarlijk wijzelf ! Maar ze hebben ook horen spreken over Boeddha Shakyamuni en over bodhisattva’s die zonder ophouden leven en herboren worden in deze wereld om alle wezens te helpen. Ze zijn onder de indruk van zulk groot mededogen en komen Shakyamuni vragen stellen. Ze stellen hem dus vragen over de bodhisattva’s.

Eerst definieert de Boeddha het samengestelde en het niet-samengestelde. Het samengestelde is het geheel van de fenomenen die verschijnen wanneer oorzaken en gevolgen verenigd zijn zodat een fenomeen kan verschijnen. Het wordt samengesteld genoemd omdat een aantal oorzaken zich combineren en ertoe leiden dat een fenomeen zich manifesteert. De Boeddha maakt dus een verschil tussen samengesteld en niet-samengesteld. Wat is dan dit niet-samengestelde?  Het is de ultieme essentie van elk ding, namelijk : de leegte.

De Boeddha zegt dat een bodhisattva in een eerste fase niet moet zoeken om het samengestelde te vernietigen, dit wil zeggen de fenomenen. Want om de wezens te helpen die in de illusie vertoeven, moet men samen met hen leven midden in de illusies. En men moet proberen om fenomenen en illusies aan te wenden als zovele mogelijkheden om zichzelf te observeren, om te ontwaken en om anderen te helpen.

Aan het begin van dit zomerkamp heeft Roland ons gewezen op de verplichtingen die ons opgelegd zijn in het kader van de bescherming tegen de verspreiding van het corona virus (mondmasker dragen, social distancing, ontsmettings voorzorgen aan de ingang van de lokalen, enz.), en die soms met wat moeilijkheden nageleefd worden en onze geest beïnvloeden. Het zijn zo veel mogelijkheden om zichzelf te observeren en om los te laten, dus om de fenomenen te gebruiken om vooruitgang te maken op de Weg.

Aan de bodhisattva’s die hem zijn komen bezoeken legt de Boeddha dus uit dat men niet moet zoeken om het samengestelde, de fenomenen te vernietigen. Maar hij voegt er ook aan toe dat men zich niet moet vast zetten in het niet-samengestelde. Hij zegt hen onder andere :

“ Wat betekent voor een bodhisattva zich niet vast zetten in het niet-samengestelde? ..

Zich niet vast zetten in het niet-samengestelde is de leegte bestuderen en beoefenen zonder er het object van zijn realisatie van te maken. “ - dit betekent zonder er het object van zijn ontwaken van te maken, zonder zijn ontwaken te beperken tot dit begrijpen.

Een beetje verder voegt hij er aan toe :  “ Het is de leegte en het niets contempleren zonder afstand te nemen van het mededogen.? “

Men voelt in zijn antwoord dat de Boeddha er een risico in ziet. Zijn antwoord klinkt als een waarschuwing. Hij wijst op het risico dat men, door zich te veel op de leegte te concentreren, zich zou kunnen afwenden van het mededogen.

Ik meen dat dit één van redenen is waarom het onderricht van de Hannya Shingyo, het onderricht over de grote wijsheid, gegeven wordt door de bodhisattva van het mededogen. Het is om, bij het bestuderen van de Hannya Shingyo en het begrijpen van de leegte, een fundamentele dimensie van de beoefening van de bodhisattva’s niet te vergeten, één van de fundamentele dimensies van het onderricht van de Boeddha en van het Grote Vehikel waarvan zen deel van uitmaakt: het mededogen.

Wanneer ik zeg dat de Boeddha ons wijst op het risico van zich te veel te identificeren met de leegte, dan denk ik dat er twee risico’s zijn.

Het eerste is een erg groot risico om de leegte niet te begrijpen, dit betekent om de leegte te verwarren met het niets. Het zou een grote vergissing zijn voor zichzelf en voor de anderen omdat dit zou kunnen leiden naar een nihilistisch, negatief standpunt, en zelfs tot wanhoop.

Er is, anders gezegd, niets! Waarom dan nog inspanningen leveren, vermits er toch niets is. Dit is een extreem standpunt die er ons zou kunnen aanzetten om te denken dat het niet nuttig om ons over onze gedachten, onze woorden en daden te bekommeren omdat er uiteindelijk toch niets is. Dit is helemaal niet het onderricht noch de beoefening van de Boeddha.

Om goed te begrijpen en niet in de valkuil te vallen moet men goed begrijpen en voor de geest houden dat Boeddha nooit gezegd heeft ‘er is niets’, maar ‘er is niets permanent’, en dat is iets heel anders. Er zijn dus wel degelijk dingen, wat men fenomenen noemt, maar deze hebben geen permanente natuur.

Als men zazen beoefent hebben we, door de observatie van onze gedachten, de directe ervaring van de leegte. Een gedachte verschijnt, we observeren ze eventjes zonder te oordelen, we komen terug naar de concentratie op de houding en de ademhaling, en de verschenen gedachte verdwijnt. We hebben heel duidelijk de ervaring van de onbestendigheid van onze gedachten. Wanneer we zazen beoefenen hebben we een sterke, intieme ervaring van de leegte.

Men moet dus goed de zin van deze leegte begrijpen en dit niet assimileren met het totale niets. Als men het met niets assimileert, dan vergist men zich en verwijdert men zich van de weg van de Boeddha. Het is het eerste risico : nihilist worden.

Het tweede risico is van de wijsheid te beschouwen zonder mededogen en van ook trouwens het mededogen zonder de wijsheid te beschouwen. Het tweede geval is stellig minder erg maar kan ons leiden naar een verkeerde of incomplete perceptie van de weg van de bodhisattva’s, zoals de Boeddha het onderwezen heeft, en zoals hij het onderwijst in de soetra van Vimalakirti. Dit is stellig ook de reden waarom hij er onze aandacht op vestigt.

Het eerste punt. Indien men heel geconcentreerd is op de wijsheid en op de perceptie van de leegte der dingen en niet veel op het mededogen, dan kan dat ons leiden naar een meer egoïstische, persoonlijke beoefening. Dit wil zeggen een beoefening die conform zal zijn met het onderricht van de Boeddha, die eveneens een beoefening zal zijn van bevrijding in verband met ons lijden omdat we de leegte der dingen begrijpen. We bevrijden ons ten minste voor een deel van ons lijden. We kunnen het daarbij laten, maar het zal een beoefening zijn die op zichzelf gericht riskeert te zijn. We zullen onze bekommernissen verlichten, zullen ons persoonlijk karma verbeteren, we zullen misschien de hoop hebben op een betere wedergeboorte. Maar het blijft in feite een op onszelf gerichte beoefening.

De tweede dimensie in de beoefening van de bodhisattva’s is dus het mededogen. Dit betekent het begrijpen van de leegte ten dienste stellen van de anderen, in plaats van onszelf. Dat is het mededogen.

Ziehier een vaak gebruikt voorbeeld, zelf al is het karikaturaal. Stel je iemand voor die een brug oversteekt en die niet kan zwemmen. Die persoon ziet iemand  anders die aan het verdrinken is. De slecht begrepen wijsheid, of erger nog, het nihilisme, zal de voorbijganger doen denken: elk ding is onbestendig, geboorte en dood zijn illusies, het is dus onnodig om tussen beide te komen want vroeg of laat moet ieder deze illusie door. Dit is uiteraard heel karikaturaal. In ieder geval zijn we ver van het onderricht van de Boeddha!

Het andere uiterste is mededogen zonder wijsheid. De persoon verdrinkt, de voorbijganger vergeet dat hij niet kan zwemmen, springt het water in, de drenkeling klampt zich aan hem vast, en ze verdrinken allebei ! Dit is het voorbeeld van mededogen zonder wijsheid. Het is stellig beter dan helemaal geen mededogen, maar het eindresultaat is toch niet bevredigend.

De Weg van de Boeddha is wijsheid en mededogen te samen.

Dus indien iemand verdrinkt en men niet kan zwemmen, dan zoekt men hulp, belt de brandweer, zoekt men een touw, een tak, een reddingsboei om naar de drenkeling te werpen, het zijn de duizend armen van Kannon, en alleen maar in het allerlaatste geval als ik geen andere oplossing gevonden heb, spring ik om te trachten hem te redden.

Sinds het eerste onderricht van de Boeddha gaan wijsheid en mededogen samen.

Het onderricht van de Boeddha is dus gebaseerd op wijsheid en mededogen, en dit sinds het begin. Dit is waarom ik er graag aan denk dat het onderricht van de Grote Wijsheid in de Hannya Shingyo gegeven wordt door de bodhisattva van het mededogen. Voor mij alleszins is het een baken.

Ik meen dat er iets anders is dat begrepen moet worden in het feit dat het onderricht van de Hannya Shingyo gegeven wordt door Kannon, namelijk dat de beoefening van zazen en het onderricht van de Dharma op zich de hoogste uitdrukking zijn van het mededogen. Want men beoefent en bestudeert de Dharma om anderen te helpen zich te bevrijden. Het is de definitie van de beoefening van ‘MUSHOTOKU’, de beoefening waarin men geen persoonlijk voordeel beoogt maar zijn energie schenkt voor het welzijn van alle wezens. Men onderwijst dus de Grote Wijsheid om de wezens te helpen hun lijden te verzachten.

En deze boodschap is aanwezig sinds het begin in het eerste onderricht van de Boeddha, de Vier Edele Waarheden. De Boeddha onderricht inderdaad op heel concrete wijze de realiteit van de leegte, van de onbestendigheid, en dus van de grote wijsheid doorheen het bestaan van het lijden en de mogelijkheid om het lijden te doen ophouden. Vervolgens onderricht hij de manier om een einde te maken aan het lijden, het Achtvoudige pad en drukt hij zo zijn diep medelijden uit voor alle wezens.

Raadgevingen van Meester Dogen

Om te beëindigen, zou ik de link willen leggen met onze beoefening en met het onderricht van Meester Dogen. Soms zou men kunnen denken dat zen en het onderricht van Meester Dogen de les van mededogen redelijk weinig in acht nemen en meer de nadruk leggen op de onbestendigheid en op de Grote Wijsheid.

Het hart van het zen onderricht, is zazen. Het is zoals Roland gisteren gezegd heeft. Indien uw leven en uw activiteit dagelijks verankerd zijn in een eerlijke en sterke beoefening van zazen, dan zal u langzamerhand, onbewust, natuurlijk en automatisch uzelf transformeren en meer ontvankelijk worden en in zekere zin meer ‘liefdevol’ en ‘behulpzaam’ zijn voor de anderen, en dus wijzer en mededogend.

Nu is de vraag : “ Moeten we het daar bij laten? Moeten we ons tevreden stellen met de dagelijkse zazen beoefening? “

Mijn persoonlijk antwoord is : dit kan misschien volstaan, maar de sluier van onze illusies is vaak dik en dus is het risico om onszelf  illusies te maken vaak groot. Voorzichtigheid is dus geboden!

Veranker uw leven in de beoefening van zazen en ga verder met het uzelf te observeren in het dagelijkse leven. Vermijd niet van bewuste inspanningen te doen, opdat uw leven de permanente ‘gyoji’ mag worden. Wij menselijke wezens hebben een ongelooflijk geluk : onze geest is kneedbaar. De verankering van ons leven in de beoefening van zazen en de bewuste inspanningen in het gewone leven combineren zich en dragen ertoe van ons betere personen te maken.

En ook hier zou ik u twee onderrichtingen van Meester Dogen willen citeren, die ik u aanraad te bestuderen om uw dagelijks leven te belichten.

Eerst de ‘Bodaisatta Shishobo’, een hoofdstuk uit de ‘Shobogenzo’ , waarin Meester Dogen de vier hoofd activiteiten van een bodhisattva citdeert :

Ten slotte zou ik u nog een raadgeving van Meester Dogen willen citeren die hij uitdrukt in zijn ‘Tenzo Kyokun’ , die een bundel instructies is voor de kok van de tempel. In feite zijn deze instructies voor ons allen van toepassing.

Dogen zegt ons onder andere dat de kok een brede geest moet cultiveren, een vreugdevolle geest, en een ‘geest van de grootmoeder’ of geest van welwillendheid. Wat is de geest van de grootmoeder?  De grootmoeder is zij die lekkere taarten maakt en die glimlachend de kinderen observeert die zorgeloos in de tuin spelen.

De geest van de grootmoeder is de geest van zij of hij die het goede doet en voor wie de grootste beloning het geluk van de anderen is. Het is de geest van de samu, van de gyoji in de tempel, waar ieder zijn taak op de beste manier uitvoert en zich innerlijk verheugt bij te dragen tot de harmonie van de tempel en de condities te creëren voor een eerlijke en sterke zazen beoefening.

Ik dank u voor uw aandacht.

 

Tags: Marc Esteban

Afdrukken